Maandelijkse update
van belevenissen in Afrika, nummer 15
We zijn net terug van een korte, doch fantastische en heftige vakantie in ons
eigen Zambiaanse Kafue wildpark.
Kafue is het oudste en grootste park van Zambia, met 22.400 vierkante kilometers zo groot als Wales.
Ondanks het feit dat het park dicht bij Lusaka ligt, is het nog vrij onderontwikkeld.
Er zijn geen bewegwijzerde en geplaveide wegen, alleen maar bush tracks, bospaden in de rimboe.
Het zandpad naar de lodge is een nauwe doorgang in het hoge gras.
Je moet wel in de auto blijven want er zitten hier leeuwen.
Een van de redenen dat het park nog puur natuur is, is de aanwezigheid van de tseetseevlieg
gedurende bepaalde maanden van het jaar.
Die vlieg is een verschrikkelijke plaag en hij kan slaapziekte bij de mens en veeziekten veroorzaken.
Een andere reden is de toestand van de weg er naar toe.
Men moet zeer gemotiveerd zijn om dit traject te trotseren.
Normaal gesproken zou het drie uur rijden zijn van Lusaka naar de ingang van het park.
Helaas is de werkelijkheid vijf uur. Het is een rit door de hel van eindeloze potholes.
En ze zijn heel diep en heel wijd; je kunt ze niet ontwijken.
Wij hebben het volgehouden.
Hotsend door de kuilen zijn we met een slakkengangetje gereden naar het park.
Maar het was de moeite waard, iedere ellendige kilometer.
Mukambi Safari Lodge, waar wij logeerden, ligt aan de Kafue rivier.
De lodge ligt helemaal geisoleerd, midden in de wildernis.
Vanaf de open veranda, waar alle maaltijden worden genoten, kijk je uit op de rivier.
Weelderige bomen en struiken hangen in en over het water.
Met een beetje geluk zie je een of meer pythons in die bomen hangen.
Enorm grote slangen. Beetje eng al doen ze je niks (hoop ik).
Verder hoor je alleen de vogels fluiten, soms de schrille roep van de visarend,
de hippo's (nijlpaarden) knorren,
of een krokodil zachtjes het water inglijden voor een lekkere hap.
Bij aankomst werden we begroet door een grote, 1.50 m hoge, kraanvogel.
Het beest liep overal achter ons aan en hoorde zeker bij de lodge.
In de volgende aflevering komt deze vogel uit de veren.

De eigenaar van de lodge was zijn wekelijkse boodschappen doen in Lusaka en knecht Daniel,
een Engelse jongen, was onze gastheer.
Hij stelde voor om ons later in de middag op een bootsafari te trakteren.
Zo gezegd, zo gedaan.
Na een verkwikkende lunch en een middagdutje, was het aangenaam om op het water te vertoeven.
We zaten met z'n drietjes in een rubberbootje kompleet met twee roeispanen en een lullig buitenboordmotortje.
Daniel is een leuke enthousiaste kerel die z'n best deed om ons zo veel mogelijk te laten zien.
Hij is echter nog maar pas in dienst bij Mukambi Lodge en heeft weinig inzicht wat betreft de veiligheid.
Wij hebben helemaal geen benul van het risico dat we nemen door te varen in een kleine opblaasbare rubberboot.
Langs de kant van de rivier liggen enorme joekels van krokodillen te wachten op een maaltijd.
en in het water snurken de hippo's, die gemakkelijk zo'n bootje als een speelbal door de lucht kunnen laten vliegen.
Daniel wilde ons de krokodillen van heel dichtbij laten zien.
Langs de kant zagen we "vertederende" kleintjes, maar ook grote monsters die lui lagen te zonnebaden
terwijl ze ons oogluikend in de gaten hielden.
En om de zaak gruwelijk compleet te maken: In de bomen langs de oevers hingen pythons.
Die kunnen wel 10 meter lang worden.
Daniel stelde ons gerust; ze waren niet giftig. Het waren wurgslangen.
Een hele verademing!
Plotseling gleed een grote krokodil snel het water in en wel precies in onze richting.

We moesten snel zorgen dat we wegkwamen maar de motor sloeg af en die wilde niet meer starten.
Daniel deed verwoede pogingen om het ding weer aan de gang te krijgen, helaas zonder resultaat.
Het motortje was verzopen!
Onze schoenen liepen vol angstzweet, adrenaline en diarree.
Wij waren er van overtuigd dat we niet meer thuis zouden komen.
Er heerste een vreselijke spanning.
Zuiver rationeel redenerend kon ik het die krokodil niet kwalijk nemen als hij mij
en de andere twee passagiers zich zou laten welgevallen. Gedurende onze korte
aanwezigheid in Zambia hadden wij nogal wat krokodil gegeten en dat was heel lekker.
Fair play.
Daniel hield de schijn op de zaak onder controle te hebben:
"Het is niet echt gevaarlijk om in en rubberbootje naast een grote krokodil de dobberen",
verzekerde hij ons. "Als ze geen honger hebben, zijn ze vrij dociel."
En vervolgens: "Veel linker zijn de nijlpaarden."
Daarvan waren er ook veel en enkele akelig dichtbij.
Dank u.
Het werd dus tijd krachtig op te treden.
Eerst schopte ik Daniel van dat motortje weg.
Nu wilde het toeval (?) dat ik in mijn studententijd een oud roestig sloopautootje had dat ik,
wegens geldgebrek, zelf provisorisch onderhoud gaf.
Dat ding had meestal startproblemen omdat hij gauw verzopen was.
Als ik dan niet bezopen was, was het probleem snel opgelost.
Ik had daar een trucje voor.
Dat is erg leerzaam en daar pluk je later, tussen de krokodillen, de vruchten van.
Even later scheurden we weer over het water, de hongerige krokodil het nakijken gevend.
Het liefst wilde ik meteen terug naar de basis.
Daarvoor was echter maar een derde deel van de stemmen te verkrijgen.
Onze Daniel, die ik onderhand flink begon te haten, had nog wat moois in petto:
Hij bracht ons naar een bush-eilandje in de 200 meter brede rivier.
We zaten daar met een biertje op de uitkijk naar het vasteland want om deze tijd zouden veel olifanten overzwemmen.
Opeens dacht ik dat er iemand bij ons bootje zat, dat een eindje verder lag afgemeerd op een krokodilvrije plek.
(Of een plek krokodilvrij is, vind je uit door je hand tijdens het varen buitenboord te hangen)
Maar toen we er heen gingen, stonden we plotseling oog in oog, nou ja, oog op kniehoogte,
met een slecht gehumeurde olifant.
Het was vreselijk!
De ontzagwekkende grootte van de Afrikaanse olifant deed mijn adem stokken.
Dit beest kan een gewicht bereiken van zeven ton.
Het vermorzelen van een wagen of het uit de grond trekken van een boom is voor hem een koud kunstje.
Kwaad flapte hij met z'n oren en maakte aanstalten om nog dichterbij te komen.
Daniel zag dat z'n ogen traanden; een slecht teken.
Het schijnt dat ze dan heftig ontstemd zijn.
Als je in een auto zit en je ziet een olifant van heel dichtbij, lijkt hij erg groot.
Als je op de grond staat op een paar meter afstand van het beest, dan is hij afschrikwekkend.
Helen keek hem aan, vol ontzag en vond hem prachtig maar toen hij oorverdovend ging trompetteren
moest ik onwillekeurig een sprong maken.
Vervolgens ging hij over tot een schijnaanval en wilden wij vluchten.
Een schijnaanval, mock charge, onderscheidt zich van een echte aanval door het feit dat het
op je afstormende tetterend monster op vier tot vijf meter afstand op de rem trapt.
Als je wegrent, ben je dood; blijf je staan (vraag niet hoe dat lukt), dan maak je een redelijke kans.
Daniel wist ons te weerhouden van weg te rennen en overtuigde ons stil te blijven staan.
Heel langzaam liepen we achteruit, stapje voor stapje en tot onze grote opluchting draaide de olifant zich om
en liep verder de bush in. Wij haastten ons naar de boot en zorgden dat we wegkwamen.
Dit was voor Dick en mij een aangrijpende ervaring. Onze eerste olifant was helaas een kwade.
Normaal gesproken zijn het zachtaardige reuzen.
Helen is er verliefd op en zou het liefst hebben dat ze vingers hadden.
Ze zou dan met ze kunnen bridgen, haar andere liefde.
Ik haat ze.