Maandelijkse update van belevenissen
in Afrika, nummer 11
Het is vermoeiend personeel om je heen te hebben.
Pim is voor ons deels ondoorgrondelijk.
Een veel voorkomende ergernis voor de pas aangekomen blanken, is de starre blik van de Afrikaan.
Ze kunnen alle expressie op hun gezicht volledig onderdrukken.
Wat dat betreft zouden er veel potentiele pokeraars tussen moeten zitten.
Hun ogen kunnen diep naar binnen gericht zijn in plaats van recht in de ogen van hun gesprekpartner.
Ze kijken je gewoonweg niet aan en dat is wel eens irritant.
Maar hier is een heel duidelijke verklaring voor.
Als kind al wordt de Zambiaan geleerd nooit een superieur recht in de ogen te kijken.
Zou hij dit wel doen, dan wordt dit aangemerkt als een vrijpostig gebaar, een brutaliteit.
En hier zit nou het misverstand: De meeste europeanen denken hier helemaal niet in termen van superioriteit.
Zij communiceren op basis van gelijkwaardigheid en de zwarte gesprekspartner gedraagt zich als ondergeschikte.
Dat is er in de loop der eeuwen ingepompt voor zover het niet al in de genen zit.
Toen Pim de eerste keer, op ons verzoek, zijn vrouw Mutinta meebracht om kennis met ons te maken,
benaderde zij ons kruipend op handen en knieen met haar gezicht naar de grond gericht.
Voor ons een intens emotionele ervaring.
Helen had het meest te doen met het personeel zodat ik nu even een Mosi biertje ga genieten terwijl zij
dit onderwerp verder toelicht.
Pim is een uiterst beleefd mannetje, dus sta ik vaak te praten tegen een standbeeld.
Ik weet niet of hij mij begrepen heeft, want er komt geen feed back.
Als hij mij 's morgens groet, gaat hij door de knieen en maakt een sierlijke buiging.
Nooit zal hij mij tegenspreken en "nee" zeggen is tot en minimum beperkt en vaak enigszins omfloerst.
Dat is wel eens lastig in de conversatie.
Bijvoorbeeld:
"Pim heb je die hoek van de tuin ook water gegeven?"
"Yes madam."
"Maar het lijkt me wat droog; heb je dit stuk misschien vergeten?"
"Yes madam."
De logica waar wij zo aan gewend zijn, is hier niet geldig.
Als ik aan hem vraag:
"Je gaat vandaag de ramen toch niet wassen?", is zijn antwoord "nee" als hij van plan is dat wel te doen.
Het klopt allemaal precies, want min keer min is plus.
Het is net of je een computer instrueert, maar voor mij toch tamelijk verwarrend.
Al met al zijn wij zeer tevreden met Pimbili.
Hij is eerlijk en dat kunnen veel anderen van hun personeel niet zeggen.
Het geld dat Dick in zijn broek had laten zitten die gewassen moest worden, werd door Pim
netjes aan mij teruggegeven toen hij het vond met strijken.
Op een avond, toen hij net bij ons in dienst was, kwam hij onverwacht bij ons aankloppen.
Hij woonde toen nog een paar dagen in de compound voordat hij zou intrekken in het
servants quarter op ons terrein.
Ik had hem een boek met mooie plaatjes en tekst over Nederland te lezen gegeven.
Hij had het ergens in de tuin doorgenomen in zijn lunchpauze en was vergeten om het weer binnen te leggen.
Daarvoor kwam hij anderhalf uur teruglopen!
Als zijn toekomstig huis bij ons op het terrein geschilderd is, kan hij er intrekken en dan hoop ik een beter
inzicht te krijgen in zijn omstandigheden.
Deze week betrapte ik hem bij het graaien in onze vuilnisbak.
Het was een pijnlijke situatie waar ik niet goed raad mee wist.
"Nee Pim, niet doen!!"
De blik waarmee hij me aankeek, was er een van schaamte en diepe ellende.
In zijn hand bengelt de plastic zak van Blokker, gevuld met afval.
Ik kijk even wanhopig terug.
Hoe moet ik dit nu aanpakken zonder hem nog meer te kwetsen?
Iets beters dan de domme vraag "Pim wat ben je nu aan het doen?" weet ik niet te verzinnen.
"Madam ik heb een plastic zak nodig" is natuurlijk zijn antwoord.
"Waarom?" denk ik.
Maar ik speel het spelletje mee en zeg hem de zak terug te leggen in de vuilnisbak.
Ik henb nog wel een schone, lege plastic zak.
Schuchter neemt hij die van mij aan en haast zich de tuin uit.
Dit incident heeft mij behoorlijk aangegrepen. We zijn nu anderhalve maand in Zambia.
Overal om ons heen zien we grote armoede, maar het dringt nu pas goed tot mij door
hoe onmetelijk arm de mensen hier zijn. De volgend dag heb ik met Pim afgesproken
dat als we iets wegdoen waarvan we ook maar het geringste vermoeden hebben dat hij
het kan gebruiken, we het op de deksel van de vuilnisbak zullen leggen.
Als ik een beetje doorvraag naar wat hij eigenlijk op zoek was, krijg ik te horen dat
hij eigenlijk honger had. Hij hoopte dat er voedselresten in die zak zouden zitten.
De meeste mensen in de compounds eten maar een keer per dag, want meer kunnen zij zich
financieel niet permitteren.
De schilders zijn er al om acht
uur 's morgens.

Het zijn een oudere man en een jong hulpje.
Na het incident met de vuilniszak, krijgt Pim van mij elke ochtend een ontbijt.
De schilders zien dat en zij hebben ook honger. Dus ook voor hen koffie en brood.
De hele dag loop ik achter iedereen aan om ze te voorzien van drank en eten.
Ze hebben in de gaten gekregen dat het hier goed toeven is, dus doen ze nu extra langzaam aan.